Kroosvaren
Gisteren, 17 december, met de KG op excursie geweest naar de Kil van Hurwenen. Dit gebied van Staatsbosbeheer ligt in de Bommelerwaard op loopafstand van station Zaltbommel.
Op weg naar de Waaldijk loop je door een bedrijventerrein en langs boerderijen-tuinderijen met slootjes.
In een van die slootjes zagen we kroosvaren.

Kroosvaren is een vlotvaren, een op het water drijvend varentje.
Zijn volledige naam is Grote Kroosvaren Azolla filiculoides.
De grote kroosvaren staat bekend als exoot, hoewel dat in de Werkgroep Exoten wordt genuanceerd.
In de prehistorie – met name tussen het Tiglien en het Midden-Pleistoceen – kwam deze soort al hier ter plekke voor. Dat bewijzen fossiele vondsten uit die tijd. De voorlaatste ijstijd heeft dit plantje niet overleefd en stierf uit.
In 1928 is er zelfs een artikel verschenen over de fossiele kroosvarens “Florschütz, F., 1928. Fossiele Azolla in Nederland. Nederlandsch Kruidkundig Archief, 1928(1): 75-81.”, aldus informatie uit Wikipedia.
In de 19e eeuw is de Grote kroosvaren (en ook de kleine kroosvaren) vanuit Amerika ingevoerd in Europese botanische tuinen. In een Natuurbericht over de kroosvaren meldt Wout van der Slikke van Floron, dat de Grote Kroosvaren waarschijnlijk uit de Leidse hortus is ontsnapt.
Grote Kroosvaren is een klein waterplantje, dat in korte tijd zich sterk kan vermeerderen (in de herfst) zodat ze zelfs tegen elkaar omhoog groeien in een sloot. Bij vervuiling van water (ook voedselrijker worden door afgevallen boombladeren) breidt de plant zich sterk uit. Het is een varen, een sporenplant dus die in de herfst sporen maakt.
De kroosvaren leeft in een symbiose met een blauwwier Anabaena azollae. Deze leeft in de groefjes in de bovenste bladlobben van het kroosvaren. Deze blauwwier kan stikstof uit de lucht binden waarna de kroosvaren die stikstofverbindingen in haar eigen eiwitten opneemt. In de winter sterft het plantje af en dan komt de stikstof in het water, wat daardoor dus ook weer voedselrijker wordt.
De grote kroosvaren is aanvankelijk blauwachtig groen, maar verkleurt in de herfst naar een rode tint. [ zie Weeda, E.J. Nederlandse oecologische flora: wilde planten en hun relaties. Amsterdam: IVN, 1999.deel 1. p. 52-53.]
De plant bestaat uit veervormig vertakte, horizontaal drijvende stengels. De rechte wortels zitten aan de onderkant. Aan de bovenkant hebben ze kleine, afwisselend geplaatste,elkaar overlappende bladeren. Elk blad is verdeeld in twee lobben, de dikkere dorsale lob is doorgaans
boven water, en bevat chlorofyl, terwijl de dunnere ventrale lob zich gedeeltelijk onder
water bevindt, en kleurloos tot wat bruinig is, en drijfvermogen biedt.
Onder bepaalde voorwaarden, bv fosforgebrek, zeer hoge instraling, of lage wintertemperatuur, kan de kleur van de bladeren veranderen van groen naar rood, veroorzaakt door de productie van anthocyanen (rood plantaardig pigment) in het fotosynthetische weefsel. Roodheid van de bladeren maakt de plant resistent tegen licht beschadiging van het fotosynthetische weefsel.
uit proefschrift van Judith Barke over fossiele azollas “Palaeoecological and palaeoclimatological implications of the Eocene Northern Hemisphere Azolla phenomenon“
Weeda schrijft er ook nog bij dat de grote kroosvaren vaak vergezeld wordt door Bultkroos Lemna gibba en gedoornd hoornblad Ceratophyllum demersum. Beide soorten bultkroos en – wat nu heet – grof hoornblad hebben we tussen de kroosvaren aangetroffen.


