Kroosvaren
Gisteren, 17 december, met de KG op excursie geweest naar de Kil van Hurwenen. Dit gebied van Staatsbosbeheer ligt in de Bommelerwaard op loopafstand van station Zaltbommel.
Op weg naar de Waaldijk loop je door een bedrijventerrein en langs boerderijen-tuinderijen met slootjes.
In een van die slootjes zagen we kroosvaren.

Kroosvaren is een vlotvaren, een op het water drijvend varentje.
Zijn volledige naam is Grote Kroosvaren Azolla filiculoides.
De grote kroosvaren staat bekend als exoot, hoewel dat in de Werkgroep Exoten wordt genuanceerd.
In de prehistorie – met name tussen het Tiglien en het Midden-Pleistoceen – kwam deze soort al hier ter plekke voor. Dat bewijzen fossiele vondsten uit die tijd. De voorlaatste ijstijd heeft dit plantje niet overleefd en stierf uit.
In 1928 is er zelfs een artikel verschenen over de fossiele kroosvarens “Florschütz, F., 1928. Fossiele Azolla in Nederland. Nederlandsch Kruidkundig Archief, 1928(1): 75-81.”, aldus informatie uit Wikipedia.
In de 19e eeuw is de Grote kroosvaren (en ook de kleine kroosvaren) vanuit Amerika ingevoerd in Europese botanische tuinen. In een Natuurbericht over de kroosvaren meldt Wout van der Slikke van Floron, dat de Grote Kroosvaren waarschijnlijk uit de Leidse hortus is ontsnapt.
Grote Kroosvaren is een klein waterplantje, dat in korte tijd zich sterk kan vermeerderen (in de herfst) zodat ze zelfs tegen elkaar omhoog groeien in een sloot. Bij vervuiling van water (ook voedselrijker worden door afgevallen boombladeren) breidt de plant zich sterk uit. Het is een varen, een sporenplant dus die in de herfst sporen maakt.
De kroosvaren leeft in een symbiose met een blauwwier Anabaena azollae. Deze leeft in de groefjes in de bovenste bladlobben van het kroosvaren. Deze blauwwier kan stikstof uit de lucht binden waarna de kroosvaren die stikstofverbindingen in haar eigen eiwitten opneemt. In de winter sterft het plantje af en dan komt de stikstof in het water, wat daardoor dus ook weer voedselrijker wordt.
De grote kroosvaren is aanvankelijk blauwachtig groen, maar verkleurt in de herfst naar een rode tint. [ zie Weeda, E.J. Nederlandse oecologische flora: wilde planten en hun relaties. Amsterdam: IVN, 1999.deel 1. p. 52-53.]
De plant bestaat uit veervormig vertakte, horizontaal drijvende stengels. De rechte wortels zitten aan de onderkant. Aan de bovenkant hebben ze kleine, afwisselend geplaatste,elkaar overlappende bladeren. Elk blad is verdeeld in twee lobben, de dikkere dorsale lob is doorgaans
boven water, en bevat chlorofyl, terwijl de dunnere ventrale lob zich gedeeltelijk onder
water bevindt, en kleurloos tot wat bruinig is, en drijfvermogen biedt.
Onder bepaalde voorwaarden, bv fosforgebrek, zeer hoge instraling, of lage wintertemperatuur, kan de kleur van de bladeren veranderen van groen naar rood, veroorzaakt door de productie van anthocyanen (rood plantaardig pigment) in het fotosynthetische weefsel. Roodheid van de bladeren maakt de plant resistent tegen licht beschadiging van het fotosynthetische weefsel.
uit proefschrift van Judith Barke over fossiele azollas “Palaeoecological and palaeoclimatological implications of the Eocene Northern Hemisphere Azolla phenomenon“
Weeda schrijft er ook nog bij dat de grote kroosvaren vaak vergezeld wordt door Bultkroos Lemna gibba en gedoornd hoornblad Ceratophyllum demersum. Beide soorten bultkroos en – wat nu heet – grof hoornblad hebben we tussen de kroosvaren aangetroffen.
Foron inventarisatie Ilperveld
Op 20 augustus zijn we met Floron meegeweest om te gaan inventariseren in het Ilperveld, selectiehok 124-495. Met fluisterboot vanaf het Bezoekerscentrum aan de Kanaaldijk varen we het gebied in en op sommige plekken (liefst daar waar geen koeien staan) gaan we aan land. We inventariseren de waterkanten vanuit de boot en de stukken trilveen op het land. Het gaat hier om veenmosrietland, soms rietland.
Een van de nadrukken die ik onthouden heb zijn de varensoorten:
- koningsvaren (op een van die eilandjes al 50 jaar oud): heel groot, bijna een stuik, met rechtopstaande takken en brede deelblaadjes.
- kamvaren, mooi ‘bewolkte’ varen, met duidelijk onderscheiden deelblaadjes met gezaagde randen die als een trappetje omhoog lopen
- moerasvaren, kan ook heel hoog worden. Heeft een kenmerkende zwarte onderkant van de stengel en tot op de as ingesneden deelblaadjes (dit itt stekelvaren). Opvallend ook dat het blad met sporen er anders uitziet, stijver.
- smalle stekelvaren, deelblaadjes in een driehoekje, niet geheel ingesneden met vliesjes op de stengel en opstaande bladen
- brede stekelvaren, als smalle, maar de bladen zijn meer liggend en de vliesjes zijn donker en licht.
Uiteraard hebben we nog veel meer gezien, van ronde zonnedauw tot kale jonker en van groot nimfkruid tot krabbescheer.
Inventarisatie 11 juli 2011
Droog en redelijk weer, deze maandagmiddag. We waren eigenlijk van plan een fluisterbootje te huren om naar de eilandjes te varen en daar te inventariseren, maar konden geen verhuurbedrijf vinden.
Maar aan wal was er ook nog voldoende te doen: de omgeving van de sportvelden hebben we bekeken: de leukste ontdekking was een Hoge fijnstraal en een Kleine leeuwenbek (Chaenorhinum minus): twee soorten die voor ons nieuw waren.![]()
Hoge fijnstraal (Conyza sumatrensis ) lijkt erg op de Canadese, maar heeft flink behaarde bladeren, en de Canadese is hooguit ijl behaard.
Tot voor kort kwam hij eigenlijk nauwelijks voor in Nederland, maar het schijnt dat het voorkomen toeneemt, zoals ook blijk uit dit natuurbericht van 2010
Grappig vonden we het dat alle drie de basterdwederikken die we vonden op een vierkante meter voorkwamen, naast elkaar.
Het resultaat van deze dag waren 59 soorten, wat het geheel op 141 voor dit hok brengt.
- Akkerkool – Lapsana communis
- Akkermelkdistel – Sonchus arvensis
- Akkerwinde – Convolvulus arvensis
- Beemdooievaarsbek – Geranium pratense
- Beklierde basterdwederik – Epilobium ciliatum
- Bitterzoet – Solanum dulcamara
- Bleke basterdwederik – Epilobium roseum
- Canadese fijnstraal – Conyza canadensis
- Echte valeriaan – Valeriana officinalis
- Europese hanenpoot – Echinochloa crus-galli
- Gekroesde melkdistel – Sonchus asper
- Gele plomp – Nuphar lutea
- Gewone engelwortel – Angelica sylvestris
- Gewone hennepnetel – Galeopsis tetrahit
- Gewone klit – Arctium minus
- Gewone melkdistel – Sonchus oleraceus
- Gewone raket – Sisymbrium officinale
- Gewoon biggenkruid – Hypochaeris radicata
- Greppelrus – Juncus bufonius
- Grote egelskop s.l. – Sparganium erectum
- Grote klaproos – Papaver rhoeas
- Grote teunisbloem – Oenothera glazioviana
- Harig knopkruid – Galinsoga quadriradiata
- Harig wilgenroosje – Epilobium hirsutum
- Hoge fijnstraal – Conyza sumatrensis
- Hoog struisgras – Agrostis gigantea
- Jakobskruiskruid s.l. – Jacobaea vulgaris
- Japanse duizendknoop – Fallopia japonica
- Kleine leeuwenbek – Chaenorhinum minus
- Kompassla – Lactuca serriola
- Koninginnekruid – Eupatorium cannabinum
- Koolzaad – Brassica napus
- Kruipertje – Hordeum murinum
- Kruldistel – Carduus crispus
- Kweek – Elytrigia repens
- Liesgras – Glyceria maxima
- Melganzenvoet – Chenopodium album
- Moederkruid – Tanacetum parthenium
- Moerasandoorn – Stachys palustris
- Perzikkruid – Persicaria maculosa
- Pijlkruid – Sagittaria sagittifolia
- Reukeloze kamille – Tripleurospermum maritimum
- Riet
- Rietgras – Phalaris arundinacea
- Schijnaardbei – Potentilla indica
- Sint-Janskruid – Hypericum perforatum
- Sterrenkroos (alle soorten) – Callitriche spec.
- Speerdistel – Cirsium vulgare
- Timoteegras + Klein timoteegras – Phleum pratense
- Tuinwolfsmelk – Euphorbia peplus
- Vertakte leeuwentand – Leontodon autumnalis
- Vijfvingerkruid – Potentilla reptans
- Viltige basterdwederik – Epilobium parviflorum
- Vogelwikke – Vicia cracca
- Waterzuring – Rumex hydrolapathum
- Witte klaver – Trifolium repens
- Wolfspoot – Lycopus europaeus
- Zomereik – Quercus robur
- Zwarte nachtschade – Solanum nigrum subsp. nigrum
Floron weekend De Nieuwe Amsterdammer
Zaterdag 16 juli heb ik een dag meegelopen tijdens het Floron inventarisatiekamp ‘De Nieuwe Amsterdammer‘. Samen met 2 andere Floron deelnemers hebben we een hok in Amsterdam-West geheel geïnventariseerd. We hebben daarbij ongeveer 200 soorten gevonden. De bedoeling van het kamp was om speciale aandacht te geven aan de nieuwkomers in de Amsterdamse flora. Van die nieuwkomers (zie het boek “Stadsplanten”van Ton Denters) hebben we er 2 in ons hok gezien: kransmuur (Polycarpon tetraphyllum) en schijnpapaver ((Meconopsis cambrica).
Ook de radio-uitzending Vroege Vogels besteedde aandacht aan deze Floron activiteit.
Helaas kon ik niet het hele weekend meedoen, maar een dag was toch ook wel leuk.
We hebben geïnventariseerd in hok 117/487, het hok waarbinnen het St Lucas/Andreas Ziekenhuis ligt. Dat was op zich nog een mazzel, want aangezien alle andere horeca gesloten was aldaar, zijn we uitgeweken naar het ziekenhuis voor een kop koffie. (Daar vonden we ook het kransmuur onder de brievenbus).
Net aan de andere kant van de Jan van Galenstraat wordt op grote schaal nieuwbouw gepleegd. En behalve over bouwprojecten hebben we door nieuwe straten gelopen met als straatnaam de Woutertje Pietersestraat, de Rinus Michelsstraat en de Gerrie Knetemanstraat.
Soorten dus van opgespoten zand en van pas ingezaaide bermen.
Erg leuk vond ik achter het Gerbrandypark een ‘wild’ stukje met Moesdistel, geel walstro en echte koekoeksbloem. Langs het water vonden we nog blauwe waterereprijs en het grijze straatliefdegras volop tegen de straat gedrukt.
Kortom het was een leuke en leerzame dag!
Rondje Bijlmerpark
Het Bijlmerpark is vernieuwd. Op 29 mei is het geopend.
Duizenden bomen zijn gekapt om het Bijlmerpark te kunnen vernieuwen. [ Op wikipedia is sprake van 8500 bomen].
Van al die bomen heeft het stadsdeel Zuidoost gebruik gemaakt om met veel foldergeweld de leus “Bijlmerpark, mijn park” ingang te doen vinden.
Vandaag heb ik een rondje Bijlmerpark gedaan op de fiets. 
Enkele bomen bij het Parktheater zijn nog bewaard gebleven.
Het hart van het Bijlmerpark zijn de sportvelden, die afgesloten en omsloten worden door een wit gaashekwerk. Foeilelijk en vanuit bijna ieder perspectief van het park te zien.
Bijna overal. Bij entree Huntum is nog een plekje waar je als je naar het zuiden kijkt het lelijke witte hek niet ziet.
En vanaf de achterkant, langs de – gelukkig gespaard gebleven knotwilgjes, is het uitzicht ook mooi.
De ingezaaide bermen doen het nu ook goed, nu de gele ganzenbloemen en het kaasjeskruid bloeien.
Er zijn nog werkzaamheden gaande en sommige inzaaiingen moeten nog effect hebben: stukken in de vijver zijn nog overspannen, ik denk om ganzen uit inzaaigebieden weg te houden.
Er zijn geen onverharde paden meer, en het uitzicht op het hekwerk is praktisch onbelemmerd. Alle paden zijn geasfalteerd; de enkele boom die er nog staat staan in een kluitje bij elkaar.
Wel zijn er veel bankjes, dus zitten kan je wel.
Op de terugweg toch nog even langs de Riethoek gefietst voor een natuurinjectie als tegengif tegen al deze kaalslag: de moeraswespenorchissen bloeiden gelukkig nog.
Eppes
Eppe is volgens het Etymologisch woordenboek als woord afkomstig uit het middelnederduits (13e eeuw) en betekende ‘ selderie’ . Vergelijk het oudhoogduitse woord epfi van het Latijn apium, wat betekent ‘ van bij’ [dus door bijen graag bezochte plek].
In Nederland kennen we drie eppes: grote en kleine watereppe en melkeppe, alledrie schermbloemigen, maar toch wel verschillend. Hun wetenschappelijk naam luidt resp. sium latifolium, berula erecta en peucedanum palustre. De watereppes doen wat hun naam, zeker in het Engels ‘ parsnip’ nog wel aan peterselie denken.
Het onderscheid tussen de water en de melkeppe is duidelijk: de watereppes hebben bladeren (boven water) die enkelvoudig geveerd zijn, die van de melkeppe is dubbelgeveerd (meer als kant dus). Maar alledrie zijn ze kaal, witbloeiend en hebben ze een voorkeur voor natte milieus, de watereppes op voedselrijke bodems, de melkeppe liever in zurige veen.
| grote watereppe | kleine watereppe | melkeppe | |
| sium latifolium | berula erecta | peucedanum palustre | |
| levensduur | overblijvend | overblijvend | tweejarig |
| luchtblad | enkelvoudig geveerd | enkelvoudig geveerd | meervoudig geveerd |
| ondergedoken blad | meervoudig geveerd | meervoudig geveerd | nvt |
| eindelings blad | lang gesteeld | zittend/ 3-delig | langwerpig |
| stengel | kantig + gegroefd | rond + zigzag | kantig + paars + melksap |
| lengte | 0,60-1,20 | 0,30-0,60 | 0,60-1.50 |
| beharing | kaal | kaal | kaal |
| omwindsel | 2-6 | talrijk | 4-10, gevorkt, meerbladig |
| scherm | eindeling, 20-30 stralen | zijdelings, 10-120 stralen | eindelings, 20-40 stralen |
| schermstelen | langer dan schermstralen | even lang of korter dan schermstralen | niet vermeld |
| vrucht | 3-4 mm, geribd | 1,5-2 mm, ongeribd | 3-5 mm, afgeplat, gevleugeld |
Nagekomen kenmerk 20 augustus 2011:
De bovenste bladtop van de grote watereppe is afgerond.
De bovenste bladtop van de kleine watereppe heeft 3 tanden.
Inventarisatie 2 mei 2011
April-mei 2011 gaat de geschiedenisboeken in als extreem warm en droog. Die 2e mei was het warm. We parkeerden in Opmeer en hebben uitgebreid de parkeerplaats bestudeerd en alle daar voorkomende ´on´kruiden genoteerd.
We raakten ernstig in de war van een aantal veelvormige ereprijsjes: klimopereprijs, veldereprijs,of toch tijmereprijs. De standplaats was belabberd, soms erg droog tussen de stenen, dan weer op vette grond tussen de hondendrollen. Geen wonder dat het er dan telkens anders uitziet.
Heb het ereprijsjes-verhaal wel uitgeschreven aan de hand van de Soortenbank p. 1027:
De eerste vraag maakt een onderscheid tussen die ereprijzen, die
1027a. Bloeiwijze niet of nauwelijks afgescheiden van de rest van de plant; bloemen alleenstaand (of soms met 2 bijeen) in de oksel van gewone bladen of van schutbladen waarvan de onderste nauwelijks van de gewone bladen verschillen, terwijl de overige naar de top geleidelijk kleiner worde of die met een eind- of okselstandige bloeiwijze.
Daarna komt al snel de keuze voor klimopereprijs met de vraag naar de kelkslippen
Als de kelkslippen niet hartvormig zijn leidt de vraag 1029a. ‘Middelste en bovenste stengelbladen handvormig 3-7-spletig of geveerd’ al snel naar handjes of kleine ereprijs
De andere keuze – alle bladeren gaafrandig tot getand, geeft nog de mogelijkheid tot 9 soorten veronica’s.
Als de bloemsteel dubbel zo lang is als schutblad, dan leidt dit tot draad- cq grote ereprijs
Als de bloemsteel minder dan 1,5 zo lang als schutblad, en de kroon max 8 mm breed dan houden we nog maar een beperkt aantal keuzes over.
Kiezen we nu voor ‘plant kaal’dan komen we bij de tijmereprijs (of vreemde).
Kiezen we voor behaard, dan hebben we nog 5 keuzes over waaronder die van de veldereprijs (vruchtstelen rechtopstaand).
Aan het eind van de middag hebben we onszelf nog even ‘getracteerd’ op de bermen van een grachtje. In het water bloeiend drijvend fonteinkruid. 
En als mooi extraatje prachtig wit bloeiende veldsla. In eerste instantie konden we het kleine witte plantje niet thuisbrengen, maar toen begon het te dagen van vorig jaar in Noord-Holland. Daar hadden we de veldsla al eens in de berm gevonden. In Wikipedia wordt hij mooi beschreven. ![]()
Gevonden:
- Akkerdistel – Cirsium arvense
- Bijvoet – Artemisia vulgaris
- Bleke klaproos – Papaver dubium
- Drijvend fonteinkruid – Potamogeton natans
- Fioringras – Agrostis stolonifera
- Gewone hoornbloem – Cerastium fontanum subsp. vulgare
- Gewone margriet – Leucanthemum vulgare
- Gewone steenraket – Erysimum cheiranthoides
- Gewone vogelmelk – Ornithogalum umbellatum
- Gewoon varkensgras – Polygonum aviculare
- Glanshaver – Arrhenatherum elatius
- Haagwinde – Convolvulus sepiumc
- Heermoes – Equisetum arvense
- Herik – Sinapis arvensis
- Hopklaver – Medicago lupulina
- IJle dravik – Anisantha sterilis
- Liggende vetmuur – Sagina procumbens
- Look-zonder-look – Alliaria petiolata
- Luzerne – Medicago sativa
- Melganzenvoet – Chenopodium album
- Pitrus – Juncus effusus
- Ridderzuring – Rumex obtusifolius
- Rode klaver – Trifolium pratense
- Schietwilg – Salix alba
- Schijfkamille – Matricaria discoidea
- Smalle waterpest – Elodea nuttallii
- Tijmereprijs – Veronica serpyllifolia
- Veelwortelig kroos – Spirodela polyrhiza
- Veldsla – Valerianella locusta
- Veldzuring – Rumex acetosa
- Voederwikke – Vicia sativa subsp. sativa
- Watermuur – Myosoton aquaticum
- Winterpostelein – Claytonia perfoliata
- Zandraket – Arabidopsis thaliana
- Zilverschoon – Potentilla anserina
Inventarisatie 10 april 2011
Mooi weer vandaag: zonnig maar nog wel een beetje fris, toen we onze nieuwe hok gingen verkennen. De Vecht loopt er midden door, met een flinke uitstulping: De Nes. Het is een gebied van Natuurmonumenten, een voormalige zandwinning met wat stroken land. We moeten maar eens bedenken of we een bootje kunnen regelen om daar te gaan inventariseren.
Deze eerste dag zijn we met de fiets langs de westkant gereden: het gebied rondom de Hoekermolen en daarvandaan naar het zuiden richting Vreeland en via de oostkant langs de sportvelden door ‘Overmeer’ weer naar het Noorden.
Het zal niet een hok worden met spectaculaire vondsten …
We hebben meteen de items ingevoerd in Waarneming.nl en de streeplijst bijgehouden voor Floron. We vonden een ‘eppe’ blad en twijfelden even over welke: over die Eppes gaat M. nog een stukje schrijven. Veel Ereprijsjes al gezien, al een Akkervergeetmijnietje. De Herderstasjes zijn nog zo jong dat ze nog geen ‘lepeltjes’ hebben. En Vroegelingen volop in Overmeer zelf. De Oever (of moeras) zegge bloeit al wel, maar we kunnen nog even niet zeggen welke: dat komt nog wel. Wel Raapzaad in bloei, maar geen Koolzaad.
Toch al wel tevreden dat we boven de 50 uitgekomen zijn:
- Akkervergeet-mij-nietje – Myosotis arvensis
- Duizendblad – Achillea millefolium
- Es – Fraxinus excelsior
- Fluitenkruid – Anthriscus sylvestris
- Gele lis – Iris pseudacorus
- Gestreepte witbol – Holcus lanatus
- Gewone berenklauw – Heracleum sphondylium
- Gewone braam – Rubus fruticosus
- Gewone dotterbloem – Caltha palustris subsp. palustris
- Gewone esdoorn – Acer pseudoplatanus
- Gewone smeerwortel – Symphytum officinale
- Gewone vlier – Sambucus nigra
- Gewoon reukgras – Anthoxanthum odoratum
- Gewoon robertskruid – Geranium robertianum
- Gewoon speenkruid – Ficaria verna subsp. verna
- Groot hoefblad – Petasites hybridus
- Grote brandnetel – Urtica dioica
- Grote ereprijs – Veronica persica
- Grote vossenstaart – Alopecurus pratensis
- Grote weegbree – Plantago major subsp. major
- Herderstasje – Capsella bursa-pastoris
- Hondsdraf – Glechoma hederacea
- Kleefkruid – Galium aparine
- Klein hoefblad – Tussilago farfara
- Klein kruiskruid – Senecio vulgaris
- Kleine maagdenpalm – Vinca minor
- Kleine veldkers – Cardamine hirsuta
- Klimop – Hedera helix
- Klimopereprijs – Veronica hederifolia
- Kraailook – Allium vineale
- Kropaar – Dactylis glomerata
- Lidrus – Equisetum palustre
- Madeliefje – Bellis perennis
- Paardenbloem – Taraxacum
- Paardenbloem – Taraxacum officinale
- Paarse dovenetel – Lamium purpureum
- Pinksterbloem – Cardamine pratensis
- Raapzaad – Brassica rapa
- Reuzenberenklauw – Heracleum mantegazzianum
- Ridderzuring – Rumex obtusifolius
- Scherpe boterbloem – Ranunculus acris
- Smalle weegbree – Plantago lanceolata
- Stinkende gouwe – Chelidonium majus
- Straatgras – Poa annua
- Tweestijlige meidoorn – Crataegus laevigata
- Veldereprijs – Veronica arvensis
- Veldzuring – Rumex acetosa
- Vogelmuur – Stellaria media
- Vroegeling – Erophila verna
- Witte dovenetel – Lamium album
- Zachte ooievaarsbek – Geranium molle
- Zevenblad – Aegopodium podagraria
- Zwarte els – Alnus glutinosa
Lezing Biodiversiteit bij Planten
Opening seizoen Floron 2011 Van de Floron website:
Het seizoen openen we traditiegetrouw met een gecombineerde KNNV-Floron avond. Plaats: Begraafplaats De nieuwe Ooster, Amsterdam.
We gaan het hebben over hebben over selectie hokken, trendsoorten, het DNA project (De Nieuwe Amsterdammers), het aanstaande kamp en wat verder ter tafel komt. Voorafgaand aan dit Floron-deel wordt er een lezing gegeven over biodiversiteit bij planten.
Biodiversiteit bij planten. Peter Wetzels
Biodiversiteit is het resultaat van de verspreiding van soorten. Biodiversiteit is een complex begrip, het is een parapluterm voor de verschillende soorten die er op aarde zijn.
Deze lezing (in april te houden bij Heimanshof) laat zien hoe op de wereld de diversiteit in planten varieert en gaat in op de oorzaken van de verschillen in soortenrijkdom : dat heeft met klimaat en bodem te maken, maar ook met de types ecosystemen en vooral ook met de historie van een gebied.
Biodiversiteit is een mate van kwaliteit van de natuur, verandering is een maat voor duurzaamheid, waarbij verandering tegenwoordig te zien is als afname.
Biodiversiteit is verschillend bij verschillende families/geslachten en is het resultaat van arealen, historisch proces, evolutie en interactie (ecosystemen).
Voorbeeld: sterbladigen (rubiaceae) is een heel grote familie van vnl houtige soorten (Tropen) maar in Nederland kennen we maar een heel afwijkend groepje: nl de kleine kruipertjes.
In de wereld zijn er 422.000 soorten planten, in Nederland 1500. De verdeling over de continenten is ook niet gelijk: de soortenrijkdom in Zd-Amerika is veel groter dan die in de Verenigde staten.
Soorten verscheidenheid is er binnen: verwantschap – levensvormen (bollen/knollen, levensduur, manier waarop ze koolstof vastleggen) – biotopen (water/land).
Nederland heeft een grote soortenrijkdom in de duinen, het Rijk van Nijmegen, Zuid Limburg, de stedenranden, en de oude graslanden en bossen.
Er is wel een waarnemingseffect: veel floristen geeft soms ook meer waarnemingen, maar toch geeft t wel indicatie.
Factoren soortenrijkdom:
- diversiteit milieufactoren (tijd en ruimte),
- schaal milieu-elementen (overgangen),
- grootte gebied,
- dynamiek,
- ouderdom (hoe ouder des te soortenrijker),
- isolatie en kolonisatie ) als gebied te bereiken is kan migratie plaatsvinden, als dat niet zo is dan neemt soortenrijkdom af.
Milieufactoren kun je indelen naar:
- ruimte : droog/nat, arm/koud, licht/donker, zuur/basisch, voedselrijk/arm
- tijd: stabiel/veranderlijk, wisselingen weer, successie vegetatie, klimaatveranderingen, bodemveranderingen (Erosie), evolutie
- grootte en isolatie: Boek “Theory of island (1967) MacArthur enWilson. Onze ecologische hoofdstructuur is op deze theorie gebaseerd. Als saldo constant is heb je max capaciteit van eiland bereikt
Relict: zevenster. Plant van koude vegetatie. Uit ijstijd overgebleven
Archeofyt (oude plant) planten die lang geleden geïmporteerd zijn: korenbloem, bleke klaproos
Neofyt: planten die kort geleden geïmporteerd zijn: bezemkruiskruis, schijnpapaver (uit Spanje in duingebied)
Wat is ‘echte’ natuur.
Invloed van mens: akkerbouw, veeteelt, heidevelden, stadse natuur. Bewust ingrijpen: stinzeplanten, natuurbouw.
Oernatuur: welke periode is relevant
- 10000-8000 toendra, koude woestijn
- 5000-2500 jr terug was er toen oerbos?, parklandschap?
- 2500-500 jaar terug eerste landbouw, grote dieren
- 500-100 jaar terug max diversiteit? (Dankzij de mens)
Welk beeld hanteren we, hoe compleet moet het zijn ( wolven, beren), hoe lang kunnen we t met rust laten.
Boerenland: oude landschappen die heel waardevol zijn, kleine stukjes die heel lang hetzelfde werden behandeld.
Beeld van familie dat je hebt is gebaseerd op wat je in je omgeving kent. Bv de familie van de euphorbia‘s: deze zijn heel erg divers van uiterlijk, komen in heel verschillende milieu”s en klimaten voor. Kenmerkend is wrsl melksap.
Historie van plantendiversiteit
Temperatuurveranderingen: klimaat (verwarming / afkoeling) In de afkoeling ontstaat een cyclisch ritme en dat noemen we ijstijden.
Epicontinentale zeeën: dan heb je heel veel water, veel eilanden. Moeilijk achteraf in te schatten wat precies de rol is geweest: dat is groot is, s wel duidelijk.
Het CO2 gehalte is nu historisch laag, daarom hebben we veel landoppervlakte. We hebben nu een periode met veel gebergtes, daarom hebben we ook veel wind en regen. In de periodes van de grote vliegende reptielen was er niet zoveel wind, daarom konden ze vliegen, anders had dat niet gekund.
Dat is ook niet altijd zo geweest: windbestuiving bv is ook vrij recent ontstaan.
C4 planten nemen op een andere manier ziirstof op: is een aanpassing aan het lage CO2 gehalte.
Door de verdroging van het zeegebied is de vegetatie van voor de ijstijden verdwenen. De planten van schrale biotopen zijn dominant geworden.
In Europa lopen de bergen oost-west, daarom is de soortenrijkdom in Europa vrij laag: gebieden waar de bergen noord-zuid lopen zijn veel soortenrijker.
Na de ijstijden zijn veel soorten weer naar het noorden gekomen, sommige die daarvoor er ook al waren.
Mediterrane klimaat: droge zomer, tertiaire flora, preadaptatie van droogtesoorten.
Tropisch regenwoud: hoge diversiteit, klimaat is stabiel, ijstijden zorgen wel voor verdroging, maar soorten verdwijnen niet.
Continentendrift: aan sommige families kun je afleiden waar die stukken land aan elkaar hebben gezeten: Gondwana families, Holarctische families (Primulaea) . Bv areaal van Berken
Gebergtevorming Ericaeae
Afwatering: omdraaiing stroomrichting Amazone
Florarijk Capensis
Onderdeel van Gondwana, geologisch heel stabiel met al 3 miljoen jaar mediterraan klimaat. Proteaceae. Hele mooie bloemen, heel veel soorten met hele kleine verspreiding.
Arealenleer / Biogeografie
Biogeografie: de verspreidingsgebieden van organismen.
Ericaceae: 4000 soorten: in Europa maar een paar soorten, in de kaap alleen al 760.
Dopheide is 140 miljoen jaar geleden afgesplitst van de rododendrons: dampig heet was het toen. Ze werden dus afgegraasd door dinosauriërs.
Hotspots: plekken met heel veel soorten planten. (Himalaya, Kameroen, Midden amerika, nieuw guinea)
- Middellandse zeegebied: 12.000 soorten die daarbuiten niet voorkomen (Endemisch)
- Californië. 2.000 soorten alleen daar, door evolutionaire druk zijn die op elkaar gaan lijken (Kolibries eten uit heel diverse families bloemen die allemaal rood zijn en van een bepaalde vorm, en bestuiven ze zo.)
- Capensis 22.000 soorten planten, de helft alleen maar hier endemisch. Nauwelijks bomen, geen grassen maar schijngrassen. Delen van de Kaap zijn Fynbos (9000 soorten waarvan 6200 endemisch), Karoo en Maputalan. Rooibosthee (Aspalathus linearus) Op de Knersvlakte : heel veel hele kleine plantjes
- Atlantisch bos: (Brazilië) Paar duizend soorten endemisch. Minder dan 7 procent van de oppervlakte is nog over, afnametempo neemt toe.
Toekomst
Belangrijk is meten van biodiversiteit, dan kun je er wat aan doen. Niet alle soorten zijn goed beschreven, door ont0egankelijkheid (bodemleven), kweekbaarheid (bacteriën), onderscheidbaarheid (morfologie), gebrek aan menskracht.
Wat is de waarde?
Moet je er geld in steken om het te bewaren? In ogenschouw nemen het verschil in biotopen, verschil in morfologische variatie, verschil in ecologie.
- zeldzaamheid (biotopen, ecologische niches, groeivormen)
- ouderdom (
- stabiliteit ecosystemen
Nut en noodzaak
- economische waarde
- overlevingswaarde (medicijnen)
- emotionele waarde
- intrinsieke waarde (cultureel)
——————-
Vraag: is biodiversiteit als argument eigenlijk nog wel van waarde als het uit zoveel elementen bestaat?
Voorjaar 2011
Zo, alweer een jaar voorbij. Een jaar waarin ik i.v.m. de ecologiecursus, waar ik aan deelnam, niet heb meegedaan aan het ‘hokken’. Wel prachtige planten gezien en me verdiept in de plantengemeenschappen.
Dit jaar met frisse moed weer aan de slag.
Afgelopen zaterdag hebben we een wandeling gelopen in Duin en Kruidberg.
Het is pas half februari, dus nog erg vroeg in het seizoen. Alleen de sneeuwklokjes bloeiden.
Maar je zag wel de blaadjes van de kamperfoelie al uitlopen, hier en daar piekte een varentje vanonder het bladerdek.
En we hebben de blaadjes van de look-zonder-look geroken, om duidelijk te kunnen vaststellen dat het een uiengeur en dus inderdaad look-zonder-look is.
Opvallend in Duin en Kruidberg waren de vele dode kardinaalsmutsen, aangevreten door de konik-paarden die daar rondlopen. Kardinaalsmuts, en in mindere mate vlier en rhodondendron moeten wel erg lekker zijn voor een paard in de winter.
Op 20 februari hebben we toch een bloeiend plantje gevonden langs de plas: vogelmuur.
op 1 maart zag ik (in Zeeland – Yerseke, dus een stuk zuidelijker) het eerste klein hoefblad bloeien.







